Zeer lage werkintensiteit

In 2020 leefde in België 11,9 procent van de bevolking jonger dan 60 jaar in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen. De trend is onbepaald tussen 2004 en 2020 (evaluatie van juni 2021).

The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.

Zeer lage werkintensiteit - België en internationale vergelijking

procent van de bevolking onder 60 jaar

 2004200520102015201920202020//20042020//20152019//2010
België14.715.112.714.912.411.9-1.3-4.4-0.3
EU27----9.910.58.5-------1.7
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: BE 2019; gegevensverzameling BE 2020 verstoord door covid-19-pandemie

Statistics Belgium; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl11, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 21/06/2021).

Zeer lage werkintensiteit volgens gewest - België

procent van de bevolking onder 60 jaar

 20112015201920202020//20112020//2015
Brussels Hoofdstedelijk Gewest27.525.524.127.80.11.7
Vlaams Gewest8.69.87.49.30.9-1.0
Waals Gewest18.420.217.118.2-0.1-2.1
//: Gemiddelde groeivoeten

De onzekerheidsmarge voor deze indicator is aangegeven in de tekst voor het laatste jaar. Breuk in tijdreeks: 2019; gegevensverzameling 2020 verstoord door covid-19-pandemie

Statistics Belgium (2012), SILC Quality Reports 2011, https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting/plus (geraadpleegd op 14/10/2019) en Statistics Belgium (2021), rechtstreekse mededeling, 21/06/2021.

Zeer lage werkintensiteit volgens geslacht - België

procent van de bevolking onder 60 jaar

 2004200520102015201920202020//20042020//2015
vrouwen16.116.513.515.812.912.3-1.7-4.9
mannen13.313.711.914.111.911.6-0.9-3.8
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; gegevensverzameling 2020 verstoord door covid-19-pandemie

Statistics Belgium; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl11, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 21/06/2021).

Zeer lage werkintensiteit volgens leeftijd - België

procent van de bevolking

 2004200520102015201920202020//20042020//2015
<1813.813.412.013.810.410.8-1.5-4.8
18-5915.115.712.915.313.212.4-1.2-4.1
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; gegevensverzameling 2020 verstoord door covid-19-pandemie

Statistics Belgium; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl11, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 21/06/2021).

Zeer lage werkintensiteit volgens opleiding - België

procent van de bevolking van 18 tot 59 jaar

 2004200520102015201920202020//20042020//2015
hoogstens lager secundair onderwijs29.227.926.836.130.732.40.7-2.1
hoger secundair onderwijs12.513.410.014.013.912.90.2-1.6
hoger onderwijs6.46.65.47.45.14.8-1.8-8.3
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; gegevensverzameling 2020 verstoord door covid-19-pandemie

Statistics Belgium; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl14, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 21/06/2021).

Zeer lage werkintensiteit volgens huishoudentype - België

procent van de bevolking onder 60 jaar

 2004200520102015201920202020//20042020//2015
alleenstaande30.430.628.731.829.829.1-0.3-1.8
eenoudergezin46.539.535.737.127.332.3-2.3-2.7
twee volwassenen21.321.816.215.813.011.7-3.7-5.8
twee volwassenen met een afhankelijk kind7.17.56.06.69.98.91.46.2
twee volwassenen met twee afhankelijke kinderen5.05.64.46.43.83.7-1.9-10.4
twee volwassenen met drie of meer afhankelijke kinderen9.29.58.310.39.05.3-3.4-12.4
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; gegevensverzameling 2020 verstoord door covid-19-pandemie

Statistics Belgium; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl13, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 21/06/2021).

Zeer lage werkintensiteit volgens activiteitsstatus - België

procent van de bevolking onder 60 jaar

 2004200520102015201920202020//20042020//2015
werkend0.20.30.40.40.30.20.0-12.9
niet werkend44.246.841.047.044.443.3-0.1-1.6
werkloos62.567.157.361.763.262.00.00.1
gepensioneerd67.172.667.067.570.864.2-0.3-1.0
andere inactief34.834.733.740.639.739.60.8-0.5
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2013, 2019; gegevensverzameling 2020 verstoord door covid-19-pandemie

Statistics Belgium; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl12, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 21/06/2021).

Zeer lage werkintensiteit volgens inkomen - België

procent van de bevolking onder 60 jaar

 2004200520102015201920202020//20042020//2015
kwintiel 151.754.048.053.749.451.0-0.1-1.0
kwintiel 219.719.715.216.911.211.8-3.2-6.9
kwintiel 37.26.33.35.73.62.7-5.9-13.9
kwintiel 42.12.72.31.51.81.3-3.0-2.8
kwintiel 50.81.51.50.90.70.80.0-2.3
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; gegevensverzameling 2020 verstoord door covid-19-pandemie

Statistics Belgium; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl13, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 21/06/2021).

Definitie: de werkintensiteit van het huishouden wordt bepaald als de verhouding tussen het aantal effectief gewerkte maanden in een jaar door de gezinsleden op actieve leeftijd (18-59-jarigen met uitzondering van studenten tussen 18 en 24 jaar) en het totale aantal maanden dat die personen konden werken tijdens datzelfde jaar. Indien die verhouding maximaal 20% is, dan behoren alle personen van het huishouden tot een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Huishoudens die uitsluitend bestaan uit kinderen, studenten jonger dan 25 jaar en/of personen van 60 jaar of ouder worden volledig uitgesloten van de berekening van de indicator. Personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit maken deel uit van de doelgroep personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting.

De hier gebruikte gegevens over de werkintensiteit zijn gebaseerd op de enquête European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), waarbij gegevens over tewerkstelling steeds betrekking hebben op het jaar dat voorafgaat aan het enquêtejaar. Statistics Belgium organiseert in België deze binnen de EU geharmoniseerde enquête en stelt de resultaten ervan ter beschikking, onder meer aan Eurostat. De hier gebruikte gegevens komen van Eurostat dat gedetailleerde en vergelijkbare data voor de EU-lidstaten publiceert. Omdat de gegevens op een enquête gebaseerd zijn, moet er rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Die onzekerheidsmarge wordt groter naarmate de indicator berekend wordt op kleinere subpopulaties. De betrouwbaarheidsintervallen (BI) die met deze gegevens overeenkomen, zijn op verzoek verkrijgbaar bij Statistics Belgium.

De gegevens voor 2019 en 2020 zijn moeilijk met elkaar te vergelijken en zijn niet vergelijkbaar met de gegevens tot en met 2018. Vanaf 2019 werd de enquêtemethode grondig herzien met het oog op een grotere nauwkeurigheid. In 2020 verstoorde de covid-19-pandemie de gegevensverzameling. Gedetailleerde informatie hierover is beschikbaar op de website van Statistics Belgium (Statbel, 2021).

Doelstelling: het aandeel en het aantal personen dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit moet dalen.

De duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen of SDG’s die de Verenigde Naties in 2015 hebben aangenomen bevatten de volgende subdoelstellingen: "Gelijke kansen verzekeren en ongelijkheden wegwerken, ook door het afvoeren van discriminerende wetten, beleidslijnen en praktijken en door het bevorderen van de geschikte wetgeving, beleidslijnen en acties in dit opzicht" (subdoelstelling 10.3) en "Tegen 2030 het aandeel mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden die volgens de nationale definities in armoede leven in al haar dimensies, minstens tot de helft terugbrengen" (subdoelstelling 1.2).

Personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit maken deel uit van de doelgroep waarvoor de Europa 2020-strategie (Europese Commissie, 2010) een verminderingsdoelstelling heeft bepaald, de zogenaamde personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting. In verband met de opvolging van de Europa 2020-strategie en het bepalen van eventuele verminderingsdoelstellingen op EU-vlak voor 2030 kan worden gemeld dat begin 2019 de EC een reflectiepaper presenteerde met drie scenario's voor een duurzaam Europa tegen 2030 (European commission, 2019). De paper vermeldt de hier besproken indicator.

Evolutie: in de periode 2004-2008 daalde het aandeel personen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit van 14,7% tot 11,7%. Daarna steeg het tot 14,9% in 2015 en 2016. Een daling zette zich sindsdien in tot 12,6% in 2018. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, bedroeg het aandeel personen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit volgens de SILC-enquête 12,4% in 2019. In 2020 was dit 11,9%.

Internationale vergelijking: in de EU27 steeg die indicator van 9,9% in 2010 tot 11,1% in 2014, om daarna te dalen tot 8,5% in 2019. Het gemiddelde voor België in die periode is 3,9 procentpunt hoger dan dat van de EU27. In een verdeling van de lidstaten in drie groepen behoort België in 2019 tot de slechtst presterende groep.

Opsplitsing volgens gewest: het aandeel personen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit in 2019 is, met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, 20,9% in Brussel (BI95% 18,6 – 23,2), 7,6% in Vlaanderen (BI95% 6,3 – 8,9), 16,4% in Wallonië (BI95% 14,3 – 18,5) en 11,9% in België (BI95% 10,9 – 12,9). De vergelijking tussen gewesten en de analyse van de ontwikkeling van deze indicatoren in de tijd moet rekening houden met de omvang van de betrouwbaarheidsintervallen.

Opsplitsing volgens geslacht: tussen 2004 en 2018 daalde het aandeel vrouwen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit van 16,1% tot 13,6%. Voor mannen is dit respectievelijk 13,3% en 11,7%. In 2020 bedroeg, gegeven de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, het aandeel mannen en vrouwen jonger dan 60 jaar die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit respectievelijk 12,3% en 11,6%. Gemiddeld genomen is het aandeel vrouwen bijna twee procentpunt hoger dan dat van mannen.

Opsplitsing volgens inkomen: hoe hoger het inkomen, hoe lager het aandeel personen in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, leefde 51% van de bevolking in het laagste inkomenskwintiel in die situatie in 2020. Voor de hogere inkomenskwintielen daalt dat aandeel sterk en het bereikt 0,9% in het hoogste inkomenskwintiel.

Opsplitsing volgens leeftijd: in de periode 2004-2020, met uitzondering van 2011, is het aandeel kinderen (jonger dan 18 jaar) dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit steeds lager dan dat van de 18-59-jarigen. Beide leeftijdsgroepen volgen ook eenzelfde patroon: een dalende trend van 2005 tot 2008, een stijging van 2009 tot 2014/2015 en daarna een daling. In 2018 bedroeg deze indicator voor kinderen 11,9% en voor 18-59-jarigen 12,9%. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, bedroeg het aandeel personen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit voor de min 18-jarigen en de 18-59-jarigen respectievelijk 10,8% en 12,4% in 2020.

Opsplitsing volgens opleiding: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe lager het aandeel personen in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Dit blijkt uit alle cijfers sinds 2004. Voor personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs steeg dit aandeel van 29,2% in 2004 tot 36,9% in 2014. Hierna daalde het tot 29,1% in 2018. Voor de personen met een diploma hoger secundair onderwijs of hoger onderwijs bedraagt die indicator in 2018 respectievelijk 13,1% en 4,7%. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, waren de cijfers in 2020 respectievelijk 32,4%, 12,9% en 4,8%.

Opsplitsing volgens huishoudentype: tussen 2004 en 2018 is het aandeel personen dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit het hoogst bij eenoudergezinnen (gemiddeld 37,6%) en alleenstaanden (gemiddeld 30,6%). Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, waren deze cijfers in 2020 respectievelijk 32,3% en 29,1%. Voor de overige huishoudentypes is het aandeel personen met een zeer lage werkintensiteit merkelijk lager. Met uitzondering voor huishoudens met twee volwassenen, waar een dalende tendens kan worden vastgesteld, zijn de evoluties in de tijd naar huishoudtype minder uitgesproken.

VN-indicator: de gekozen indicator is verwant met indicator 1.2.2 - Aandeel van mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden dat in armoede leeft in al haar dimensies volgens de nationale definities, omdat personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit ook behoren tot de populatie van personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting, wat de nationaal gangbare multidimensionale armoededefinitie is.

Bronnen