Risico op armoede of sociale uitsluiting

In 2020 bedroeg het aandeel van de bevolking in België met een risico op armoede of sociale uitsluiting 18,9 procent. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen naar 10,6 procent. Dat doel wordt niet bereikt met een voortzetting van de trend tussen 2004 en 2019 (evaluatie van november 2021; zonder rekening te houden met 2020, omdat de covid-19-pandemie een impact had op de gegevensverzameling). Het aandeel van de bevolking met een risico op armoede of sociale uitsluiting evolueert dus ongunstig.

The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.

Risico op armoede of sociale uitsluiting - België - trendevaluatie

procent van bevolking

 200020042005201020152019202020252030
waarnemingen--21.622.620.821.119.5------
trend en extrapolatie (november 2021)--21.821.721.120.720.119.919.319.0
doelstelling 203010.610.610.610.610.610.610.610.610.6

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_peps01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 21/06/2021) & berekeningen FPB.

Risico op armoede of sociale uitsluiting - België en internationale vergelijking

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//20142019//2010
België21.622.620.821.221.120.019.518.9-0.7-1.7-0.7
EU27----23.924.523.821.620.9-----3.1-1.5
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: BE 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling BE 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), sdg_01_10 of ilc_peps01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 1/10/2021).

Risico op armoede of sociale uitsluiting, volgens gewest - België

procent van bevolking

 2011201420152018201920202019//20112019//2014
Brussels Hoofdstedelijk Gewest40.438.438.038.537.831.8-0.8-0.3
Vlaams Gewest15.015.315.113.013.213.0-1.6-2.9
Waals Gewest25.426.326.326.424.624.6-0.4-1.3
//: Gemiddelde groeivoeten

De onzekerheidsmarge voor deze indicator is aangegeven in de tekst voor het laatste jaar. Breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel (2012), SILC Quality Reports 2011, https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting/plus (geraadpleegd op 14/10/2019) en Statbel (2021), rechtstreekse mededeling, 21/06/2021.

Risico op armoede of sociale uitsluiting, volgens geslacht - België

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
vrouwen22.923.721.721.522.220.920.019.5-0.9-1.4
mannen20.321.420.020.920.019.018.918.4-0.5-2.0
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_peps01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 1/10/2021).

Risico op armoede of sociale uitsluiting, volgens leeftijd - België

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
<1822.723.723.223.223.323.022.320.3-0.1-0.8
18-6421.221.920.021.621.719.719.318.3-0.6-2.2
>6422.023.321.017.316.217.416.519.4-1.9-0.9
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_peps01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 4/10/2021).

Risico op armoede of sociale uitsluiting, volgens opleiding - België

procent van 18-jarigen en ouder

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
hoogstens lager secundair onderwijs32.332.132.435.035.434.032.235.20.0-1.7
hoger secundair onderwijs19.119.417.219.319.818.819.319.00.10.0
hoger onderwijs10.010.09.010.010.58.48.68.1-1.0-3.0
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_peps04, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 4/10/2021).

Risico op armoede of sociale uitsluiting, volgens huishoudentype - België

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
alleenstaande34.035.430.633.031.530.328.630.1-1.1-2.8
eenoudergezin57.851.749.651.448.949.744.444.6-1.7-2.9
twee volwassenen23.322.320.116.215.616.015.415.2-2.7-1.0
twee volwassenen met een afhankelijk kind12.713.513.013.912.913.917.317.02.14.5
twee volwassenen met twee afhankelijke kinderen10.711.612.012.912.210.98.48.3-1.6-8.2
twee volwassenen met drie of meer afhankelijke kinderen20.523.420.621.524.126.225.920.61.63.8
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_peps01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 4/10/2021).

Risico op armoede of sociale uitsluiting, volgens activiteitsstatus - België

procent van 18-jarigen en ouder

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
werkend5.76.36.56.76.16.26.25.50.6-1.5
niet werkend36.637.933.834.834.632.731.832.6-0.9-1.8
werkloos60.264.153.463.667.664.470.469.61.02.1
gepensioneerd22.023.819.717.216.316.215.517.8-2.3-2.1
andere inactief41.841.041.447.147.447.445.245.90.5-0.8
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_peps01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 4/10/2021).

Risico op armoede of sociale uitsluiting, volgens inkomen - België

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
kwintiel 180.482.681.284.082.385.680.479.10.0-0.9
kwintiel 216.817.614.914.715.110.510.010.7-3.4-7.4
kwintiel 37.57.64.45.05.62.23.92.7-4.3-4.8
kwintiel 42.63.52.21.51.70.62.01.5-1.75.9
kwintiel 50.91.61.51.00.80.90.70.7-1.7-6.9
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_peps01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 4/10/2021).

Definitie: het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting komt overeen met de verhouding van het aantal personen dat tot minstens één van drie deelpopulaties behoort ten opzichte van de totale bevolking. Die deelpopulaties zijn de personen met een armoederisico, personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit en personen die leven in een situatie van ernstige materiële ontbering. De Deze indicator werd goedgekeurd in het kader van de Europa 2020-strategie.

De gegevens over de personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting zijn gebaseerd op de enquête European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC). De inkomensgegevens gebruikt voor de berekening van de deelpopulatie van personen met een armoederisico hebben steeds betrekking hebben op het jaar dat voorafgaat aan het enquêtejaar. Dit is ook het geval voor de tewerkstellingsgegevens gebruikt voor het berekenen van de deelpopulatie van personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. De gegevens gebruikt voor het berekenen van de personen die leven in een situatie van ernstige materiële ontbering hebben betrekking op het ogenblik van enquêtering.

Statistics Belgium organiseert in België deze binnen de EU geharmoniseerde enquête en stelt de resultaten ervan ter beschikking, onder meer aan Eurostat. 2004 is het eerste jaar waarvoor Europees geharmoniseerde gegevens zijn verzameld waarmee de indicator berekend kan worden. De hier gebruikte gegevens komen van Eurostat dat gedetailleerde en vergelijkbare data voor de EU-lidstaten publiceert. Omdat de gegevens op een enquête gebaseerd zijn, moet er rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Die onzekerheidsmarge wordt groter naarmate de indicator berekend wordt op kleinere subpopulaties. De betrouwbaarheidsintervallen (BI) die met deze gegevens overeenkomen, zijn op verzoek verkrijgbaar bij Statistics Belgium.

Vanaf 2019 werd de enquêtemethode grondig herzien met het oog op een grotere nauwkeurigheid. In 2020 had de covid-19-pandemie een impact op de gegevensverzameling. Hierdoor zijn de resultaten van SILC 2020 moeilijk te vergelijken met die van de voorgaande jaren (Statbel, 2021). Daarom worden ze niet gebruikt om de langetermijntrend te berekenen en te evalueren.

Doelstelling: tegen 2030 moet het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting gehalveerd zijn, namelijk van 21,1% in 2015 naar 10,6% in 2030.

De duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen of SDG’s die de Verenigde Naties in 2015 hebben aangenomen, bevatten subdoelstelling 1.2: "Tegen 2030 het aandeel mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden die volgens de nationale definities in armoede leven in al haar dimensies, minstens tot de helft terugbrengen". Vertaald in Belgische context betekent dit dat, tegen 2030, het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting gehalveerd zou moeten zijn, namelijk van 21,1% in 2015 naar 10,6% in 2030.

Daarnaast is er voor België ook een doelstelling in navolging van de Europa 2020-strategie (Europese Commissie, 2010) die in de EU een vermindering beoogt van het aantal personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting tussen 2008 en 2018 met 20 miljoen. België heeft zich geëngageerd die doelgroep te laten dalen van 2,19 miljoen personen in 2008 tot 1,81 miljoen personen in 2018. Dat komt overeen met een vermindering van 380.000 personen.

De Europese Sociale top in Porto van 7 mei 2021 heeft nieuwe sociale doelstellingen voor 2030 overeengekomen tussen de Europese Raad, de Europese Commissie, het Europees Parlement en de sociale partners. Die doelstellingen werden goedgekeurd door de Europese Raad (Europese Raad, 2021a, 2021b). Een vermindering in de EU tegen 2030 van het aantal personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting met ten minste 15 miljoen, inclusief 5 miljoen kinderen, werd er voorgesteld. Hierbij is voorzien dat de deelpopulatie van de personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit anders wordt gedefinieerd en dat de deelpopulatie van personen met een ernstige materiële ontbering wordt vervangen door de indicator die de ernstige materiële en sociale ontbering meet. Lidstaten worden uitgenodigd om, rekening houdend met de uitgangspositie van elk land, nationale doelstellingen vast te leggen zodat deze kunnen meegenomen worden in de Europese beleidscyclus van 2022.

Evolutie: het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting stijgt van 21,6% in 2004 tot 22,6% in 2005. Daarna daalt het tot 20,2% in 2009 en vervolgens stijgt het tot 21,6% in 2012. Dat aandeel daalt in 2013 tot 20,8% en het stijgt tot 21,2% in 2014. Hierna daalt deze indicator tot 20% in 2018. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, bedroeg het armoederisicopercentage 19,5% in 2019. In 2020 is dit 18,9%.

In 2008 behoorden 2,194 miljoen personen in België tot die groep. In 2018, is dit licht hoger, namelijk 2,247 miljoen personen. Met de nieuwe méthodologie gebruikt vanaf 2019, komt dit cijfer in 2019 overeen met 2,197 miljoen personen. Hoewel rekening moet worden gehouden met het feit dat die enquêtegegevens schattingen zijn kan worden vastgesteld dat sinds de financieel-economische crisis van 2008/2009 die indicator niet is geëvolueerd in de richting van de doelstelling van 1,81 miljoen personen voor het jaar 2018, zoals bepaald in de Europa 2020-strategie. De Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid stelt in dit verband dat "Het aantal personen dat zich in een situatie van armoede of sociale uitsluiting bevindt (Europa 2020-doelstelling) is quasi stabiel gebleven in vergelijking met het niveau aan het begin van de strategie." (Federal Public Service Social Security, 2019, p. 4 en Federal Public Service Social Security, 2020).

Internationale vergelijking: tussen 2010 en 2018 is die indicator in de EU27 gedaald van 23,9% tot 21,6%. In 2019 was dit 21,1%. Het gemiddelde voor België in de periode 2010-2018 is 2,9 procentpunt lager dan dat van de EU27. In een verdeling van de lidstaten in drie groepen behoort België in 2019 tot de middelmatig presterende groep en het scoort beter dan het Europese gemiddelde. In dat jaar stond de Tsjechische republiek met 12,5% op de eerste plaats en Bulgarije met 32,8% op de laatste.

Opsplitsing volgens gewest: het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting in 2020 is, met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, 34,3% in Brussel (BI95% 31,8 – 36,8), 13% in Vlaanderen (BI95% 11,8 – 14,2), 24,6% in Wallonië (BI95% 22,5 – 26,7) en 18,9% in België (BI95% 17,9 – 19,9). De vergelijking tussen gewesten en de analyse van de ontwikkeling van deze indicatoren in de tijd moet rekening houden met de omvang van de betrouwbaarheidsintervallen.

Opsplitsing volgens geslacht: tussen 2004 en 2018 daalde het risico op armoede of sociale uitsluiting van vrouwen van 22,9% tot 20,9%. Voor mannen is dit respectievelijk 20,3% en 19%. In 2020 bedroeg, gegeven de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, het aandeel mannen en vrouwen met een risico op armoede of sociale uitsluiting respectievelijk 18,4% en 19,5%. Gemiddeld genomen is het risico op armoede of sociale uitsluiting van vrouwen steeds één procentpunt hoger dan dat van mannen.

Opsplitsing volgens inkomen: hoe hoger het inkomen, hoe lager het risico op armoede of sociale uitsluiting. Dit blijkt uit alle beschikbare gegevens. In 2020 bedraagt, gegeven de nieuwe méthodologie gebruikt vanaf 2019, het aandeel van de bevolking in het laagste inkomenskwintiel met een risico op armoede of sociale uitsluiting 79,1%. Voor het tweede inkomenskwintiel is dit 10,7%. Het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting in het derde, vierde en vijfde inkomenskwintiel is respectievelijk 2,7%, 1,5% en 0,7%.

Opsplitsing volgens leeftijd: in 2004 bedroeg het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting ongeveer 22% voor alle leeftijdsgroepen. Enkel bij de 65-plussers daalde die indicator aanzienlijk tot 16,2% in 2015 om daarna weer te stijgen tot 17,4% in 2018. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, was dit 16,5% in 2019 en 19,4% in 2020. Voor de andere leeftijdscategorieën daalde die indicator slechts tot 2009, het begin van de financieel-economische crisis. Rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, tikt deze indicator voor de 18-64-jarigen af op 19,3% in 2019 en 18,3% in 2020. Voor de min 18-jarigen is die waarde 22,3% in 2019 en 20,3% in 2020.

Opsplitsing volgens opleiding: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe lager het risico op armoede of sociale uitsluiting. Dit blijkt uit alle beschikbare gegevens. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, bedraagt de indicator 35,2% in 2020 voor personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs, 19% voor personen met een diploma hoger secundair onderwijs en 8,1% voor personen met een diploma hoger onderwijs.

Opsplitsing volgens activiteitsstatus: het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting is in de periode 2004-2020 steeds het hoogst bij werklozen, gevolgd door andere inactieven, gepensioneerden en werkenden. Voor de werklozen daalt de indicator van 60,2% in 2004 tot 53,4% in 2010 en stijgt hij daarna tot 64,4% in 2018. Voor de andere inactieven wordt een stijging vastgesteld van 41,8% in 2004 tot 47,4% in 2018. Tussen 2004 en 2018 daalt de indicator voor de gepensioneerden van 22% naar 16,2%. Voor werkenden, ten slotte, fluctueert de indicator rond 6,2% in de periode 2004-2018. Dit is meteen ook de waarde voor 2018.

Het aandeel personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting die werkloos zijn in 2019 is, met de nieuwe méthodologie gebruikt vanaf 2019, 70,4%. In 2020 is dit 69,6%.

Voor andere inactieven, gepensioneerden en werkenden is dit respectievelijk 45,2%, 15,5% en 6,2% voor het jaar 2019. Voor het jaar 2020 zijn die cijfers 45,9%, 17,8% en 5,5%.

VN-indicator: de gekozen indicator stemt overeen met indicator 1.2.2 – Aandeel van mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden dat in armoede leeft in al haar dimensies volgens de nationale definities.

Bronnen