Zeer lage werkintensiteit (i02)

In 2021 (tewerkstellingsgegevens van 2020) bedroeg het aandeel van de bevolking onder de 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit 11,9 procent. De trendevaluatie gebruikt het aandeel van de bevolking onder de 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (EU 2020) als indicator. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen. De trend is onbepaald tussen 2004 en 2019 (evaluatie van november 2021; zonder rekening te houden met 2020, omdat de covid-19-pandemie een impact had op de gegevensverzameling).

The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.

Zeer lage werkintensiteit - België en internationale vergelijking

procent van bevolking onder 65 jaar of onder 60 jaar (EU2020)

 200420052010201320152018202020212021//20152018//20042018//20132018//2010
België--------15.013.112.311.9-3.8------
EU27--------10.18.58.2----------
België (EU2020)14.715.112.714.014.912.611.911.7-3.9-1.1-2.1-0.1
EU27 (EU2020)----9.910.610.58.88.5-------3.7-1.5
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: BE 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling BE 2020

Statbel; Eurostat (2022); European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl11n en ilc_lvhl11, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022); Risico op armoede of sociale uitsluiting - cijfers, https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting#figures (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022); rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit volgens gewest - België

procent van bevolking onder 60 jaar

 20112013201520182019202020212021//20192018//2011
Brussels Hoofdstedelijk Gewest--------24.221.022.9-2.7--
Vlaams Gewest--------7.77.96.8-6.0--
Waals Gewest--------17.516.917.0-1.4--
Brussels Hoofdstedelijk Gewest (EU2020)27.526.225.523.724.120.922.2-4.0-2.1
Vlaams Gewest (EU2020)8.68.99.87.37.47.66.9-3.4-2.3
Waals Gewest (EU2020)18.418.720.218.117.116.416.5-1.8-0.2
//: Gemiddelde groeivoeten

De onzekerheidsmarge voor deze indicator is aangegeven in de tekst voor het laatste jaar. Breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel (2012), SILC Quality Reports 2011, https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting/plus (geraadpleegd op 14/10/2019) en Statbel (2022), Risico op armoede of sociale uitsluiting - cijfers, https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting#figures (geraadpleegd op 01/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit volgens geslacht - België

procent van bevolking onder 65 jaar of onder 60 jaar (EU2020)

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
vrouwen--------16.014.213.212.612.1-4.5----
mannen--------14.012.012.411.911.7-2.9----
vrouwen (EU2020)16.116.513.514.015.813.612.912.312.0-4.5-1.2-0.6
mannen (EU2020)13.313.711.914.014.111.711.911.611.5-3.3-0.9-3.5
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2022), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl11n en ilc_lvhl11, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), Risico op armoede of sociale uitsluiting - cijfers, https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting#figures (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit volgens leeftijd - België

procent van bevolking onder 65 jaar

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
<18--------13.712.210.510.89.7-5.6----
18-24--------14.113.014.812.712.8-1.6----
25-59--------14.412.312.011.711.7-3.4----
60-64--------39.233.234.929.124.5-7.5----
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2022), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl11n, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 30/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit (EU2020) volgens leeftijd - België

procent van bevolking onder 60 jaar

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
<1813.813.412.012.213.811.910.410.89.6-5.9-1.1-0.5
18-2411.714.010.314.413.812.815.212.612.4-1.80.6-2.3
25-5915.616.013.414.815.612.912.912.412.6-3.5-1.3-2.7
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2022), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl11, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), Risico op armoede of sociale uitsluiting - cijfers, https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting#figures (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 30/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit volgens opleiding - België

procent van 18-64-jarigen of 18-59-jarigen (EU2020)

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
hoogstens lager secundair--------36.331.232.934.031.4-2.4----
hoger secundair--------14.213.013.613.113.8-0.5----
hoger--------7.24.75.24.74.3-8.2----
hoogstens lager secundair (EU2020)29.227.926.833.036.129.130.732.430.1-3.00.0-2.5
hoger secundair (EU2020)12.513.410.012.114.013.113.912.914.20.20.31.6
hoger (EU2020)6.46.65.47.37.44.75.14.84.3-8.6-2.2-8.4
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl14n en ilc_lvhl14, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit volgens huishoudentype - België

procent van bevolking onder 65 jaar

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
alleenstaande--------32.929.931.430.832.3-0.3----
eenoudergezin--------36.834.527.632.327.5-4.7----
twee volwassenen--------15.413.813.411.510.6-6.0----
twee volw., 1 kind--------6.27.910.08.87.53.2----
2 volw., 2 kinderen--------6.55.53.63.83.6-9.4----
2 volw., 3+ kinderen--------10.38.78.95.27.7-4.7----
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2022), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl13n, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit (EU2020) volgens huishoudentype - België

procent van bevolking onder 60 jaar

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
alleenstaande30.430.628.731.331.828.529.829.131.2-0.3-0.5-1.9
eenoudergezin46.539.535.741.137.133.827.332.328.0-4.6-2.3-3.8
twee volwassenen21.321.816.215.915.813.813.011.711.0-5.9-3.1-2.8
twee volw., 1 kind7.17.56.06.56.67.79.98.97.41.90.63.4
2 volw., 2 kinderen5.05.64.43.86.45.43.83.73.5-9.60.67.3
2 volw., 3+ kinderen9.29.58.311.410.38.79.05.37.5-5.1-0.4-5.3
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2022), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl13, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit volgens activiteitsstatus - België

procent van 18-64-jarigen of 18-59-jarigen (EU2020)

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
werkend--------0.40.30.40.30.2-10.9----
werkloos--------62.664.066.764.255.5-2.0----
andere inactief--------41.740.040.540.636.1-2.4----
werkend (EU2020)0.20.30.40.20.40.20.30.20.2-10.90.00.0
werkloos (EU2020)62.567.157.365.461.761.863.262.054.1-2.2-0.1-1.1
gepensioneerd (EU2020)67.172.667.066.267.558.970.864.264.2-0.8-0.9-2.3
andere inactief (EU2020)34.834.733.738.340.638.539.739.635.3-2.30.70.1
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020. Omwille van het grootschalige gebruik van tijdelijke werkloosheid tijdens de COVID-19-pandemie omvat de categorie 'werkloos' in SILC 2021 niet alleen langdurig werklozen, maar eveneens personen die meer dan 6 maanden tijdelijk werkloos zijn geweest en die algemeen gezien in minder precaire omstandigheden leven.

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl12n en ilc_lvhl12, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 09/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit volgens inkomen - België

procent van bevolking onder 65 jaar

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
kwintiel 1--------54.453.651.051.947.3-2.3----
kwintiel 2--------17.012.811.612.614.1-3.1----
kwintiel 3--------4.82.13.52.52.8-8.6----
kwintiel 4--------1.30.71.51.00.9-5.9----
kwintiel 5--------0.70.50.60.50.94.3----
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2022), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl13n, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Zeer lage werkintensiteit (EU2020) volgens inkomen - België

procent van bevolking onder 60 jaar

 2004200520102013201520182019202020212021//20152018//20042018//2013
kwintiel 151.754.048.054.853.752.649.451.046.4-2.40.1-0.8
kwintiel 219.719.715.215.516.912.211.211.813.9-3.2-3.4-4.7
kwintiel 37.26.33.33.95.71.83.62.73.3-8.7-9.4-14.3
kwintiel 42.12.72.31.71.50.61.81.31.0-6.5-8.6-18.8
kwintiel 50.81.51.51.20.91.00.70.80.90.01.6-3.6
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2022), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_lvhl13, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 15/06/2022); Statbel (2022), rechtstreekse mededeling, 20/09/2022.

Definitie: alle personen van een huishouden behoren tot een huishouden met een zeer lage werkintensiteit indien de werkintensiteit van dat huishouden minder is dan 20%. De werkintensiteit van het huishouden wordt bepaald als de verhouding tussen het aantal effectief gewerkte maanden door de gezinsleden op actieve leeftijd tijdens het jaar dat voorafgaat aan het enquêtejaar en het totale aantal maanden dat die personen theoretisch zouden kunnen hebben gewerkt tijdens datzelfde jaar.

De gezinsleden op actieve leeftijd worden gedefinieerd als personen van 18 tot en met 64 jaar. Zijn hiervan uitgesloten: studenten (18-24 jaar), personen die zichzelf als gepensioneerd beschouwen of die een pensioen ontvangen (met uitzondering van een overlevingspensioen) en inactieven van 60 tot en met 64 jaar die tot een huishouden behoren waarvan het hoofdinkomen uit pensioenen bestaat.

Personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit, maken deel uit van de doelgroep personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting, zoals omschreven in het kader van de Europa 2030-strategie. Gezien er een tendens is om tot op hogere leeftijd te werken is de leeftijdsbovengrens van deze indicator verhoogd tot 64 jaar ten opzichte van de grens die daarvoor in het kader van de Europa 2020-strategie gold, namelijk 59 jaar. In dat kader werden ook enkel studenten (tussen 18 en 24 jaar) niet beschouwd als gezinsleden op actieve leeftijd. In het kader van de Europa 2020 en 2030-strategie worden huishoudens volledig uitgesloten van de indicatorberekening, namelijk huishoudens die alleen bestaan uit kinderen, studenten van onder de 25 jaar en/of mensen van respectievelijk 60 of 65 jaar of ouder (Statbel, 2022b; Eurostat, 2021; European Commission, 2022).

Hierna wordt de evolutie van beide indicatoren becommentarieerd. Naar de indicator in het kader van de Europa 2020-strategie, met gegevens beschikbaar vanaf 2004, wordt steeds verwezen met de aanduiding '(EU 2020)'. Voor de indicator overeengekomen in het kader van de Europa 2030-strategie zijn data beschikbaar vanaf ten vroegste 2015 en is er geen specifieke aanduiding.

De hier gebruikte gegevens over de werkintensiteit zijn gebaseerd op de enquête European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC). De tewerkstellingsgegevens hebben steeds betrekking op het jaar dat voorafgaat aan het enquêtejaar, wat bijvoorbeeld betekent voor het enquêtejaar 2020 dat bij de berekening van deze indicator de tewerkstellingsgegevens van 2019 zijn gebruikt, die niet beïnvloed werden door de covid-19-crisis.

Statistics Belgium organiseert in België deze binnen de EU geharmoniseerde enquête en stelt de resultaten ervan ter beschikking, onder meer aan Eurostat. 2004 is het eerste jaar waarvoor Europees geharmoniseerde gegevens zijn verzameld waarmee de indicator berekend kan worden. De hier gebruikte gegevens komen, tenzij anders vermeld, van Eurostat dat gedetailleerde en vergelijkbare data voor de EU-lidstaten publiceert. Omdat de gegevens op een enquête gebaseerd zijn, moet er rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Die onzekerheidsmarge wordt groter naarmate de indicator berekend wordt op kleinere subpopulaties. De betrouwbaarheidsintervallen (BI) die met deze gegevens overeenkomen, zijn op verzoek verkrijgbaar bij Statistics Belgium.

Vanaf 2019 werd de enquêtemethode grondig herzien met het oog op een grotere nauwkeurigheid. In 2020 had de covid-19-pandemie een impact op de gegevensverzameling. Hierdoor zijn de resultaten van SILC 2020 moeilijk te vergelijken met die van de voorgaande jaren (Statbel, 2021). Daarom worden ze niet gebruikt om de langetermijntrend te berekenen en te evalueren. Eveneens moet worden opgemerkt dat omwille van het grootschalige gebruik van tijdelijke werkloosheid tijdens de covid-19-pandemie de categorie 'werkloos' in SILC 2021 niet alleen langdurig werklozen omvat, maar eveneens personen die meer dan 6 maanden tijdelijk werkloos zijn geweest en die algemeen gezien in minder precaire omstandigheden leven (Statbel, 2022a).

Doelstelling: het aandeel en het aantal personen dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit moet dalen.

De duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen of SDG’s die de Verenigde Naties in 2015 hebben aangenomen bevatten de volgende subdoelstellingen: "Gelijke kansen verzekeren en ongelijkheden wegwerken, ook door het afvoeren van discriminerende wetten, beleidslijnen en praktijken en door het bevorderen van de geschikte wetgeving, beleidslijnen en acties in dit opzicht" (subdoelstelling 10.3) en "Tegen 2030 het aandeel mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden die volgens de nationale definities in armoede leven in al haar dimensies, minstens tot de helft terugbrengen" (subdoelstelling 1.2).

Personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit maken deel uit van de doelgroep waarvoor in het kader van de Europa 2030-strategie een verminderingsdoelstelling is aangenomen, de zogenaamde personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting (Europese Raad, 2021a, 2021b). Zij maakten ook deel uit– rekening houdend met voornoemde verandering in definitie – van de doelgroep van personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting zoals omschreven in de Europa 2020-strategie (Europese Commissie, 2010).

Evolutie: het aandeel personen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (EU 2020) daalde in de periode 2004-2008 van 14,7% tot 11,7%. Daarna steeg het tot 14,9% in 2015 en 2016. Sindsdien, rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, is dit percentage gedaald tot 11,7 in 2021.

In de periode 2015-2021 daalde, volgens de nieuwe definitie en rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, het aandeel personen jonger dan 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit van 15% tot 11,9%.

Internationale vergelijking: het aandeel personen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit in de EU27 (EU 2020) steeg van 9,9% in 2010 tot 11,1% in 2014, om daarna te dalen tot 8,2% in 2020. Het gemiddelde voor België in die periode is 3,8 procentpunt hoger dan dat van de EU27. In een verdeling van de lidstaten in drie groepen behoort België in 2020 tot de slechtst presterende groep. In dat jaar stond Polen met 4,3% op de eerste plaats en Griekenland met 12,6% op de laatste.

In de EU27 daalde het aandeel personen jonger dan 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit van 10,1% in 2015 tot 8,2% in 2021. Het gemiddelde voor België in die periode is 4,8 procentpunt hoger dan dat van de EU27. In een verdeling van de lidstaten in drie groepen behoort België in 2020 tot de slechtst presterende groep. In dat jaar stond Slovenië met 3,9% op de eerste plaats en België met 12,3% op de laatste.

Opsplitsing volgens gewest: het aandeel personen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (EU2020) in 2021 is, rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, 22,2% in Brussel (BI95% 19,8 – 24,6), 6,9% in Vlaanderen (BI95% 5,8 – 8), 16,5% in Wallonië (BI95% 14,6 – 18,4) en 11,7% in België (BI95% 10,8 – 12,6).

Het aandeel personen jonger dan 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit in 2021 is, volgens de nieuwe definitie en rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, 22,9% in Brussel (BI95% 20,6 – 25,2), 6,8% in Vlaanderen (BI95% 5,9 – 7,7), 17% in Wallonië (BI95% 15,2 – 18,8) en 11,9% in België (BI95% 11,1 – 12,7).

De vergelijking tussen gewesten en de analyse van de ontwikkeling van deze indicatoren in de tijd moet rekening houden met de omvang van de betrouwbaarheidsintervallen.

Opsplitsing volgens geslacht: het aandeel vrouwen jonger dan 60 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (EU 2020) daalde tussen 2004 en 2008 van 16,1% tot 13,2%. Daarna steeg dit aandeel tot 16,5% in 2015. Het percentage voor mannen volgt een vergelijkbaar patroon maar dan op een lager niveau: een daling van 13,3% in 2004 tot 10,3% in 2008 om daarna te stijgen tot 14,2% in 2014. Sindsdien daalde deze indicator voor vrouwen en mannen, gegeven de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, tot respectievelijk 12% en 11,5% in 2021.

Volgens de nieuwe definitie en rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, daalde het aandeel vrouwen jonger dan 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit van 16% tot 12,1% in de periode 2015-2021. Het percentage voor mannen is lager en daalde in die periode van 14% tot 11,7%.

Opsplitsing volgens inkomen: de gegevens over zeer lage werkintensiteit (EU 2020) voor de periode 2004-2021 geven aan dat hoe hoger het inkomen, hoe lager het aandeel personen in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, leefde 46,4% van de bevolking in het laagste inkomenskwintiel in die situatie in 2021. Voor de hogere inkomenskwintielen daalt dat aandeel sterk en het bereikt 0,9% in het hoogste inkomenskwintiel.

De gegevens over het aandeel personen jonger dan 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit voor de periode 2015-2021, volgens de nieuwe definitie en rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, bevestigen dit patroon.

Opsplitsing volgens leeftijd: tussen 2004-2021, rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, daalde het aandeel kinderen (jonger dan 18 jaar) dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (EU 2020) van 13,8% tot 9,6%. Voor 25-59-jarigen is er ook een daling van 15,6% tot 12,6%.

In de periode 2015-2021, volgens de nieuwe definitie en rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, daalde het aandeel personen dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit voor alle leeftijdscategorieën. De daling voor 60-64-jarigen is opvallend namelijk van 39,2% tot 24,5%. Voor de overige leeftijdscategorieën betreft het een daling van gemiddeld genomen rond 14% tot 11,4%.

Opsplitsing volgens opleiding: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe lager het aandeel personen in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (EU2020). Rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, bedraagt dit aandeel voor personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs 30,1% in 2021. Voor de personen met een diploma hoger secundair onderwijs of hoger onderwijs bedraagt die indicator in 2021 respectievelijk 14,2% en 4,3%. Merk hierbij op dat het aandeel voor personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs steeg van 29,2% in 2004 tot 36,9% in 2014, om daarna terug te dalen tot ongeveer het oorspronkelijke niveau.

Het aandeel personen jonger dan 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit, volgens de nieuwe definitie en rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, bevestigen de sterke invloed van het opleidingsniveau.

Opsplitsing volgens huishoudentype: het aandeel personen dat leeft in een eenoudergezinnen met een zeer lage werkintensiteit (EU 2020) daalde sterk tussen 2004 en 2021 van 46,5% tot 28%. Het aandeel voor huishoudens met twee volwassenen daalde eveneens sterk namelijk van 21,3% en 11%. De evoluties in de tijd van de overige huishoudtypes zijn minder uitgesproken.

Tussen 2004 en 2021 is het aandeel personen dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (EU 2020) het hoogst bij eenoudergezinnen (gemiddeld 36%) en alleenstaanden (gemiddeld 30%). Voor de overige huishoudentypes is het aandeel personen met een zeer lage werkintensiteit merkelijk lager.

Het aandeel personen jonger dan 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit, volgens de nieuwe definitie en rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, is het hoogst voor alleenstaanden en eenoudergezinnen, namelijk rond 32% voor de periode 2015-2021. Voor huishoudens met twee volwassenen (al dan niet met kinderen) is dit merkelijk lager.

Opsplitsing volgens activiteitsstatus: de gegevens over zeer lage werkintensiteit (EU 2020) voor de periode 2004-2021, rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, geven aan dat dit aandeel werkintensiteit het hoogst is voor werklozen en de categorie ‘andere inactieven’, respectievelijk rond 60 en 40%.

Merk op dat de daling van het aandeel werklozen in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (EU 2020) van 62% geregistreerd door de SILC-enquête in 2020 tot 54,1% voor het daaropvolgende jaar beïnvloed wordt door het grootschalige gebruik van tijdelijke werkloosheid ten gevolge van de covid-19-pandemie. De categorie 'werkloos' vermeld in SILC 2021 omvat naast langdurig werklozen ook personen die meer dan 6 maanden tijdelijk werkloos zijn geweest en die algemeen gezien in minder precaire omstandigheden leven (Statbel, 2022a).

De gegevens over het aandeel personen jonger dan 65 jaar dat leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit voor de periode 2015-2021, volgens de nieuwe definitie en rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, sluiten hierbij aan.

VN-indicator: de gekozen indicator is verwant met indicator 1.2.2 – Aandeel van mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden dat in armoede leeft in al haar dimensies volgens de nationale definities, omdat personen die leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit ook behoren tot de populatie van personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting, wat de nationaal gangbare multidimensionale armoededefinitie is.

Bronnen