Armoederisico

In 2020 (inkomens 2019) bedroeg het aandeel van de bevolking met een armoederisico in België 14,1 procent. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen. De trend is ongunstig tussen 2004 en 2019 (evaluatie van november 2021; zonder rekening te houden met 2020, omdat de covid-19-pandemie een impact had op de gegevensverzameling).

The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.

Armoederisico - België en internationale vergelijking

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//20142019//2010
België14.314.814.615.514.916.414.814.10.2-0.90.2
EU27----16.517.317.416.816.5-----0.90.0
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: BE 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling BE 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), sdg_01_20 of ilc_li02, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 1/10/2021).

Armoederisicodrempel - België

voor een alleenstaande, volgens de EU-SILC-enquêtes (2004-2020, inkomensgegevens 2003-2019)

duizend euro per jaar

 200420052010201420152018201920202019//20042019//20142019//2010
België9.49.911.713.013.014.214.815.43.12.52.6
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 1/10/2021).

Armoederisico volgens gewest - België

procent van bevolking

 2011201420152018201920202019//20112019//2014
Brussels Hoofdstedelijk Gewest33.730.929.732.831.427.8-0.90.3
Vlaams Gewest9.811.110.310.49.89.30.0-2.5
Waals Gewest19.218.318.321.918.318.2-0.60.0
//: Gemiddelde groeivoeten

De onzekerheidsmarge voor deze indicator is aangegeven in de tekst voor het laatste jaar. Breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel (2012), SILC Quality Reports 2011, https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting/plus (geraadpleegd op 14/10/2019) en Statbel (2021), rechtstreekse mededeling, 21/06/2021.

Armoederisico volgens geslacht - België

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
vrouwen15.115.515.215.915.617.115.014.40.0-1.2
mannen13.414.113.915.014.115.614.613.80.6-0.5
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li02, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 1/10/2021).

Armoederisico volgens leeftijd - België

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
<1815.918.118.318.818.020.118.915.61.20.1
18-6412.112.012.114.213.715.113.112.20.5-1.6
>6420.921.419.416.115.216.615.718.7-1.9-0.5
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li02, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 1/10/2021).

Armoederisico volgens opleiding - België

procent van 18-jarigen en ouder

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
hoogstens lager secundair onderwijs22.321.723.025.424.928.525.827.41.00.3
hoger secundair onderwijs11.811.510.713.313.614.513.113.20.7-0.3
hoger onderwijs5.94.75.56.76.76.55.85.9-0.1-2.8
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li07, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 23/03/2022).

Armoederisico volgens huishoudentype - België

procent van bevolking

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
alleenstaande21.222.018.822.421.223.820.223.2-0.3-2.0
eenoudergezin32.933.235.336.435.739.934.629.30.3-1.0
twee volwassenen14.512.013.210.910.412.411.111.1-1.80.4
twee volwassenen met een afhankelijk kind9.59.09.210.39.512.212.312.31.73.6
twee volwassenen met twee afhankelijke kinderen8.39.710.610.29.39.97.46.6-0.8-6.2
twee volwassenen met drie of meer afhankelijke kinderen16.119.616.520.021.124.024.119.02.73.8
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li03, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 1/10/2021).

Armoederisico volgens activiteitsstatus - België

procent van 18-jarigen en ouder

 200420052010201420152018201920202019//20042019//2014
werkend4.03.94.54.84.65.14.84.21.20.0
niet werkend23.523.722.324.323.226.123.024.0-0.1-1.1
werkloos27.930.730.442.940.750.448.150.23.72.3
gepensioneerd17.919.116.112.912.414.113.416.2-1.90.8
andere inactief27.425.625.832.031.536.330.429.70.7-1.0
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2019; covid-19-pandemie had impact op gegevensverzameling 2020

Statbel; Eurostat (2021), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li04, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 1/10/2021).

Definitie: het aandeel van de bevolking met een armoederisico is de verhouding tussen het aantal personen met een netto equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van de nationale mediaan, en de totale bevolking. Het netto beschikbaar inkomen is gelijk aan de som van de bruto-inkomens van alle gezinsleden verminderd met belastingen, sociale bijdragen en transferten tussen huishoudens (EC, 2016). Om het netto equivalent beschikbaar inkomen te bekomen wordt het netto beschikbaar inkomen gedeeld door een equivalentiefactor (de zogenaamde gewijzigde equivalentieschaal van de OESO). Een volwassene heeft een factor van 1, elke extra persoon vanaf 14 jaar een factor van 0,5 en elke extra persoon jonger dan 14 jaar een factor van 0,3. Het netto equivalent beschikbaar inkomen laat toe om de levensstandaard van personen te vergelijken rekening houdend met de schaalvoordelen die het gevolg zijn van een gezamenlijke huishouding en met de samenstelling van het gezin. Er wordt verondersteld dat de levensstandaard van personen met een netto equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van de nationale mediaan in de totale bevolking ontoereikend is om aan te sluiten bij de minimaal aanvaardbare leefpatronen in België. Personen met een armoederisico maken deel uit van de doelgroep personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting, zoals omschreven in het kader van de Europa 2020-strategie.

De hier gebruikte gegevens over de personen met een armoederisico zijn gebaseerd op de enquête European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), waarbij inkomensgegevens steeds betrekking hebben op het jaar dat voorafgaat aan het enquêtejaar. Dit betekent bijvoorbeeld voor het enquêtejaar 2020 dat bij de berekening van deze indicator de inkomens van 2019 zijn gebruikt, die niet beïnvloed werden door de covid-19-crisis (Statbel, 2021a).

Statbel organiseert in België deze binnen de EU geharmoniseerde enquête en stelt de resultaten ervan ter beschikking, onder meer aan Eurostat. 2004 is het eerste jaar waarvoor Europees geharmoniseerde gegevens zijn verzameld waarmee de indicator berekend kan worden. De hier gebruikte gegevens komen van Eurostat dat gedetailleerde en vergelijkbare data voor de EU-lidstaten publiceert. Omdat de gegevens op een enquête gebaseerd zijn, moet er rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Die onzekerheidsmarge wordt groter naarmate de indicator berekend wordt op kleinere subpopulaties. De betrouwbaarheidsintervallen (BI) zijn op verzoek verkrijgbaar bij Statbel.

Vanaf 2019 werd de enquêtemethode grondig herzien met het oog op een grotere nauwkeurigheid. In 2020 had de covid-19-pandemie een impact op de gegevensverzameling. Hierdoor zijn de resultaten van SILC 2020 moeilijk te vergelijken met die van de voorgaande jaren (Statbel, 2021b). Daarom worden ze niet gebruikt om de langetermijntrend te berekenen en te evalueren.

Doelstelling: het aandeel en het aantal personen met een armoederisico moeten dalen.

De duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen of SDG’s die de Verenigde Naties in 2015 hebben aangenomen, bevatten subdoelstelling 10.2: "Tegen 2030 de sociale, economische en politieke inclusie van iedereen mogelijk maken en bevorderen, ongeacht leeftijd, geslacht, handicap, ras, etniciteit, herkomst, godsdienst of economische of andere status".

De SDG’s bevatten, naast subdoelstelling 10.2 ook de volgende subdoelstellingen: "Gelijke kansen verzekeren en ongelijkheden wegwerken, ook door het afvoeren van discriminerende wetten, beleidslijnen en praktijken en door het bevorderen van de geschikte wetgeving, beleidslijnen en acties in dit opzicht" (subdoelstelling 10.3); "Tegen 2030 het aandeel mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden die volgens de nationale definities in armoede leven in al haar dimensies, minstens tot de helft terugbrengen" (subdoelstelling 1.2) en "Tegen 2030 geleidelijk tot een inkomenstoename van de onderste 40% van de bevolking komen tegen een ritme dat hoger ligt dan het nationale gemiddelde, en die toename ook in stand houden" (subdoelstelling 10.1).

Personen met een armoederisico maken deel uit van de doelgroep waarvoor de Europa 2020-strategie (Europese Commissie, 2010) een verminderingsdoelstelling heeft bepaald, de zogenaamde personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting. In het kader van de Europa 2030-strategie is een nieuwe doelstelling aangenomen voor laatstgenoemde doelgroep: een vermindering in de EU tegen 2030 van het aantal personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting met ten minste 15 miljoen, inclusief 5 miljoen kinderen, werd voorgesteld. Personen met een armoederisico maken deel uit van die doelgroep (Europese Raad, 2021a, 2021b).

Hier is het uitgangspunt dat de levensstandaard van personen met een armoederisico ontoereikend is om aan te sluiten bij de minimaal aanvaardbare leefpatronen in België. De Federale beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling heeft in dit verband volgende ambitie voor 2050, die verder reikt dan de SDG’s of de Europa 2020-strategie: "Iedereen zal beschikken over een inkomen uit arbeid, uit vermogen of afkomstig van sociale beschermingsstelsels en heeft toegang tot diensten van algemeen belang. Iedereen zal aldus gedurende alle fasen van zijn leven kunnen voorzien in alle behoeften om menswaardig te leven" (doelstelling 2; Belgisch Staatsblad 08/10/2013).

Evolutie: in 2004 bedroeg het armoederisicopercentage in België 14,3%. Tot 2015 schommelde het steeds rond 15% om daarna te stijgen tot 16,4% in 2018, de hoogst vastgestelde waarde sinds 2004. Met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, bedroeg het armoederisicopercentage 14,8% in 2019. In 2020 was dit 14,1%.

Op basis van de EU-SILC-enquêtes is de armoederisicodrempel voor een alleenstaande persoon gestegen van 9.405 euro per jaar in 2004 tot 13.023 euro per jaar in 2014. In 2015 daalde die drempel licht tot 12.993 euro om daarna weer te stijgen tot 14.212 euro in 2018. In 2019 bedroeg de drempel 14.765 euro. In 2020 was dit 15.403 euro.

Internationale vergelijking: tussen 2010 en 2016 steeg die indicator in de EU27 van 16,5% tot 17,5%. Daarna daalde de indicator tot 16,8% in 2018 en daarna tot 16,5% in 2019. Het gemiddelde voor België in die periode is 1,6 procentpunt lager dan dat van de EU27. In een verdeling van de lidstaten in drie groepen behoort België in 2019 tot de middelmatig presterende groep en het scoort beter dan het Europese gemiddelde. In dat jaar stond de Tsjechische republiek met 10,1% op de eerste plaats en Roemenië met 23,8% op de laatste.

Opsplitsing volgens gewest: het armoederisicopercentage in 2020 is, met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, 27,8% in Brussel (BI95% 25,1 – 30,5), 9,3% in Vlaanderen (BI95% 8,2 – 10,4), 18,2% in Wallonië (BI95% 16,4 – 20) en 14,1% in België (BI95% 13,2 – 15). De vergelijking tussen gewesten en de analyse van de ontwikkeling van deze indicatoren in de tijd moet rekening houden met de omvang van de betrouwbaarheidsintervallen.

Opsplitsing volgens geslacht: tussen 2004 en 2018 steeg het armoederisicopercentage van vrouwen van 15,1% tot 17,1%. Voor mannen is dit respectievelijk 13,4% en 15,6%. In 2019 bedroeg, gegeven de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, het aandeel vrouwen en mannen met een armoederisico respectievelijk 15% en 14,6%. In 2020 was dit 14,4% en 13,8%.

Opsplitsing volgens leeftijd: het armoederisico van personen jonger dan 18 jaar, tussen 18 en 64 jaar en van 65 jaar of ouder bedroeg in 2020, met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, respectievelijk 15,6%, 12,2% en 18,7%.

In 2018 hebben jongeren het hoogste armoederisicopercentage, terwijl in 2004 dit het geval was voor ouderen. Het armoederisico van personen jonger dan 18 jaar, tussen 18 en 64 jaar en 65 jaar of ouder bedroeg in 2004 respectievelijk 15,9, 12,1 en 20,9%. Dit percentage is tot 20,1% gestegen in 2018 voor personen jonger dan 18 jaar en tot 15,1% voor personen tussen 18 en 64 jaar. Echter, voor personen van 65 jaar of ouder is het armoederisico gedaald tot 16,6% in 2018. Die daling is te wijten aan de toegenomen activiteitsgraad bij vrouwen, wat leidt tot langere loopbanen en resulteert in hogere pensioenen. Ook de gevoelige verhoging van de minimumpensioenen en van de Inkomensgarantie voor ouderen ten opzichte van de armoederisicodrempel tussen 2005 en 2011 kan het dalende armoederisico in die periode verklaren (Hoge Raad van Financiën, 2019).

Opsplitsing volgens opleiding: het armoederisico van personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs, met een diploma hoger secundair onderwijs en met een diploma hoger onderwijs bedroeg, met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, respectievelijk 27,4%, 13,2% en 5,9% in 2020. Uit deze cijfers en die van de voorgaande jaren blijkt dat hoe hoger het opleidingsniveau, hoe lager het aandeel personen met een armoederisico.

Opsplitsing volgens huishoudentype: rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019, hebben eenoudergezinnen het hoogste armoederisico in 2020 namelijk 29,3%. Voor alleenstaanden is dit 23,2% en voor huishoudens met twee volwassenen met drie of meer afhankelijke kinderen is dit 19%. Het armoederisico van de overige huishoudencategorieën fluctueert rond 10%. Deze tendens in de armoederisicopercentages volgens huishoudentype wordt ook vastgesteld tijdens de voorgaande jaren.

Opsplitsing volgens activiteitsstatus: in 2020 is het aandeel personen met een armoederisico bij de bevolking van minstens 18 jaar het hoogst bij werklozen (50,2%) en het laagst bij werkenden (4,2%), rekening houdend met de nieuwe methodologie gebruikt vanaf 2019. Voor gepensioneerden en andere inactieven bedraagt deze indicator respectievelijk 16,2% en 29,7%.

Op basis van die gegevens voor de periode 2004-2018 blijkt dat het aandeel personen met een armoederisico bij de bevolking van minstens 18 jaar steeds het hoogst is bij werklozen en het laagst bij werkenden. Voor werklozen steeg het zelfs van 27,9% in 2004 tot 50,4% in 2018, voor werkenden van 4% tot 5,1%. Voor de categorie 'andere inactieven' is er eveneens een stijging van 27,4% in 2004 tot 36,3% in 2018. Het armoederisico van gepensioneerden daalt dan weer van 17,9% in 2004 tot 14,1% in 2018.

VN-indicator: de gekozen indicator stemt overeen met indicator 10.2.1 - Deel van de bevolking dat leeft met minder dan 50% van het mediaaninkomen, naar leeftijd, geslacht en handicap. De VN gebruikt als inkomensdrempel 50%, terwijl de hier gekozen indicator 60% aanneemt, zoals in de EU-definitie.

Bronnen