Armoederisico

In 2017 (inkomens 2016) bedroeg het aandeel van de bevolking met een armoederisico in België 15,9 procent. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen. Dat doel wordt niet bereikt met een voortzetting van de trend sinds 2004. Het armoederisico evolueert dus ongunstig.

The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.

Armoederisico - België en internationale vergelijking

procent van de totale bevolking

 20042005201020122015201620172017//20042017//2012
België14.314.814.615.314.915.515.90.80.8
EU28----16.516.817.317.316.9--0.1
//: Gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2019), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li02, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 02/04/2019).

Armoederisicodrempel - België

voor een alleenstaande, volgens de EU-SILC-enquêtes (2004-2017, inkomensgegevens 2003-2016)

duizenden euro's per jaar

 20042005201020122015201620172017//20042017//2012
België9.49.911.712.213.013.413.72.92.4
//: Gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2018), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li01, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 06/09/2018).

Armoederisico volgens geslacht - België

procent van de bevolking

 20042005201020122015201620172017//20042017//2012
vrouwen15.115.515.215.915.616.516.90.91.2
mannen13.414.113.914.714.114.414.90.80.3
//: Gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2018), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li02, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 06/09/2018).

Armoederisico volgens leeftijd - België

procent van de bevolking

 20042005201020122015201620172017//20042017//2012
<1815.918.118.317.318.017.818.61.21.5
18-6412.112.012.113.513.714.715.01.72.1
>6420.921.419.419.415.215.416.0-2.0-3.8
//: Gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2018), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li02, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 06/09/2018).

Armoederisico volgens opleiding - België

procent van de bevolking van 18 jaar en ouder

 20042005201020122015201620172017//20042017//2012
hoogstens lager secundair onderwijs22.321.723.025.124.926.327.51.61.8
hoger secundair onderwijs11.811.510.712.213.614.114.31.53.2
hoger onderwijs5.94.75.57.46.76.86.40.6-2.9
//: Gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2018), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li07, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 26/09/2018).

Armoederisico volgens huishoudentype - België

procent van de bevolking

 20042005201020122015201620172017//20042017//2012
alleenstaande21.222.018.820.221.221.821.90.31.6
eenoudergezin32.933.235.333.935.741.439.71.53.2
twee volwassenen14.512.013.214.310.411.511.8-1.6-3.8
twee volwassenen met een afhankelijk kind9.59.09.211.79.511.912.72.31.7
twee volwassenen met twee afhankelijke kinderen8.39.710.68.29.38.28.50.20.7
twee volwassenen met drie of meer afhankelijke kinderen16.119.616.518.221.119.219.11.31.0
//: Gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2018), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li03, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 06/09/2018).

Armoederisico volgens activiteitsstatus - België

procent van de bevolking van 18 jaar en ouder

 20042005201020122015201620172017//20042017//2012
werkend4.03.94.54.54.64.75.01.72.1
niet werkend23.523.722.324.723.224.525.10.50.3
werkloos27.930.730.434.840.745.949.14.47.1
gepensioneerd17.919.116.116.712.413.313.7-2.0-3.9
andere inactief27.425.625.829.531.533.334.11.72.9
//: Gemiddelde groeivoeten

breuk in tijdreeks: 2013

Statistics Belgium; Eurostat (2018), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_li04, https://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 17/09/2018).

Definitie: het aandeel van de bevolking met een armoederisico is de verhouding tussen het aantal personen met een netto equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van de nationale mediaan, en de totale bevolking. Het netto beschikbaar inkomen is gelijk aan de som van de bruto-inkomens van alle gezinsleden verminderd met belastingen, sociale bijdragen en transferten tussen huishoudens (EC, 2016). Om het netto equivalent beschikbaar inkomen te bekomen wordt het netto beschikbaar inkomen gedeeld door een equivalentiefactor (de zogenaamde gewijzigde equivalentieschaal van de OESO). Een volwassene heeft een factor van 1, elke extra persoon vanaf 14 jaar een factor van 0,5 en elke extra persoon jonger dan 14 jaar een factor van 0,3. Het netto equivalent beschikbaar inkomen laat toe om de levensstandaard van personen te vergelijken rekening houdend met de schaalvoordelen die het gevolg zijn van een gezamenlijke huishouding en met de samenstelling van het gezin. Er wordt verondersteld dat de levensstandaard van personen met een netto equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van de nationale mediaan in de totale bevolking ontoereikend is om aan te sluiten bij de minimaal aanvaardbare leefpatronen in België.

De hier gebruikte gegevens over de personen met een armoederisico zijn gebaseerd op de enquête European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), waarbij inkomensgegevens steeds betrekking hebben op het jaar dat voorafgaat aan het enquêtejaar. Statistics Belgium organiseert in België deze binnen de EU geharmoniseerde enquête en stelt de resultaten ervan ter beschikking, onder meer aan Eurostat. De hier gebruikte gegevens komen van Eurostat dat gedetailleerde en vergelijkbare data voor de EU-lidstaten publiceert. Omdat de gegevens op een enquête gebaseerd zijn, moet er rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. De betrouwbaarheidsintervallen zijn op verzoek verkrijgbaar bij Statistics Belgium.

Doelstelling: het aandeel en het aantal personen met een armoederisico moeten dalen.

De duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen of SDG’s die de Verenigde Naties in 2015 hebben aangenomen, bevatten subdoelstelling 10.2: "Tegen 2030 de sociale, economische en politieke inclusie van iedereen mogelijk maken en bevorderen, ongeacht leeftijd, geslacht, handicap, ras, etniciteit, herkomst, godsdienst of economische of andere status".

De SDG’s bevatten, naast subdoelstelling 10.2 ook de volgende subdoelstellingen: "Gelijke kansen verzekeren en ongelijkheden wegwerken, ook door het afvoeren van discriminerende wetten, beleidslijnen en praktijken en door het bevorderen van de geschikte wetgeving, beleidslijnen en acties in dit opzicht" (subdoelstelling 10.3); "Tegen 2030 het aandeel mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden die volgens de nationale definities in armoede leven in al haar dimensies, minstens tot de helft terugbrengen" (subdoelstelling 1.2) en "Tegen 2030 geleidelijk tot een inkomenstoename van de onderste 40% van de bevolking komen tegen een ritme dat hoger ligt dan het nationale gemiddelde, en die toename ook in stand houden" (subdoelstelling 10.1).

Personen met een armoederisico maken deel uit van de doelgroep waarvoor de Europa 2020-strategie (Europese Commissie, 2010) een verminderingsdoelstelling heeft bepaald, de zogenaamde personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting. In verband met de opvolging van de Europa 2020-strategie en het bepalen van eventuele verminderingsdoelstellingen op EU-vlak voor 2030 kan worden gemeld dat begin 2019 de EC een reflectiepaper presenteerde met drie scenario's voor een duurzaam Europa tegen 2030. De paper vermeldt de hier besproken indicator (European commission, 2019).

Hier is het basisprincipe dat de levensstandaard van personen met een armoederisico ontoereikend is om aan te sluiten bij de minimaal aanvaardbare leefpatronen in België. De Federale beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling heeft in dit verband volgende ambitie voor 2050, die verder reikt dan de SDG’s of de Europa 2020-strategie: "Iedereen zal beschikken over een inkomen uit arbeid, uit vermogen of afkomstig van sociale beschermingsstelsels en heeft toegang tot diensten van algemeen belang. Iedereen zal aldus gedurende alle fasen van zijn leven kunnen voorzien in alle behoeften om menswaardig te leven" (doelstelling 2; Belgisch Staatsblad 08/10/2013).

Evolutie: in 2004 bedroeg het armoederisicopercentage in België 14,3%. Daarna schommelde het steeds rond 15% om uiteindelijk zijn hoogste waarde te bereiken, namelijk 15,9% in 2017; dat percentage komt overeen met 1,8 miljoen personen.

Op basis van de EU-SILC-enquêtes is de armoederisicodrempel voor een alleenstaande persoon gestegen van 9.405 euro per jaar in 2004 tot 13.023 euro per jaar in 2014. In 2015 daalde die drempel licht tot 12.993 euro om daarna weer te stijgen tot 13.670 euro in 2017.

Internationale vergelijking: het armoederisicopercentage in de EU28 is hoger dan in België. Tussen 2010 en 2017 steeg het van 16,5% tot 16,9%. In een verdeling van de lidstaten in drie groepen behoort België in 2017 tot de middelmatig presterende groep en het scoort beter dan het Europese gemiddelde.

Opsplitsing volgens leeftijd: in 2017 hebben jongeren het hoogste armoederisicopercentage, terwijl in 2004 dit het geval was voor ouderen. Het armoederisico van personen jonger dan 18 jaar, tussen 18 en 64 jaar en 65 jaar of ouder bedroeg in 2004 respectievelijk 15,9, 12,1 en 20,9%. Dit percentage is tot 18,6% gestegen in 2017 voor personen jonger dan 18 jaar en tot 15% voor personen tussen 18 en 64 jaar. Echter, voor personen van 65 jaar of ouder is het armoederisico gedaald tot 16% in 2017. Die daling is te wijten aan de toegenomen activiteitsgraad bij vrouwen, wat leidt tot langere loopbanen en resulteert in hogere pensioenen. Ook de gevoelige verhoging van de minimumpensioenen en van de Inkomensgarantie voor ouderen ten opzichte van de armoederisicodrempel tussen 2005 en 2011 kan het dalende armoederisico in die periode verklaren (Hoge Raad van Financiën, 2018).

Opsplitsing volgens opleiding: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe lager het aandeel personen met een armoederisico. Voor personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs steeg dat aandeel van 22,3% in 2004 tot 27,5% in 2017. Het aandeel personen met een diploma hoger secundair onderwijs met een armoederisico steeg eveneens in die periode van 11,8 tot 14,3%. Het armoederisico van personen met een diploma hoger onderwijs fluctueert in de beschouwde periode rond 6%; in 2017 bedraagt het 6,4%.

Opsplitsing volgens huishoudentype: tussen 2004 en 2017 hebben eenoudergezinnen steeds het hoogste armoederisico, met name rond 36,1%. De hoogste waarde, 41,4%, werd bereikt in 2016. Voor alleenstaanden en voor een huishouden met twee volwassenen met drie of meer afhankelijke kinderen schommelt het armoederisicopercentage in de beschouwde periode rond respectievelijk 22% en 18%. Het armoederisico van de overige huishoudenscategorieën fluctueert rond 10%.

Opsplitsing volgens activiteitsstatus: van 2014 tot en met 2017 is het aandeel personen met een armoederisico bij de bevolking van minstens 18 jaar het hoogst bij werklozen. De andere groepen gerangschikt van hoger naar lager armoederisico zijn andere inactieven, niet-werkenden, gepensioneerden en werkenden. Tussen 2004 en 2017 stijgt het aandeel werklozen en andere inactieven met een armoederisico respectievelijk van 27,9 tot 49,1% en van 27,4 tot 34,1%, terwijl dat van gepensioneerden daalt van 17,9 tot 13,7%.

VN-indicator: de gekozen indicator stemt overeen met indicator 10.2.1 - Deel van de bevolking dat leeft met minder dan 50% van het mediaaninkomen, naar leeftijd, geslacht en handicap. De VN gebruikt als inkomensdrempel 50%, terwijl de hier gekozen indicator 60% aanneemt, zoals in de EU-definitie.

Bronnen