Gini-index

In 2016 (inkomens 2015) bedroeg de Gini-index van het equivalent beschikbaar inkomen in België 26,3 op een schaal van nul tot honderd. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, mag die index niet stijgen. Volgens de projecties van het Federaal Planbureau wordt dat doel bereikt. De Gini-index evolueert dus gunstig.

The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.

TRENDEVALUATIE: Gini-index van equivalent beschikbaar inkomen - België

schaal 0-100

 20042005201020152016202020252030
waarnemingen26.128.026.626.226.3------
projectie (waarnemingen tot 2015)--------25.824.824.423.9

projectie houdt rekening met waarnemingen tot 2015

Statistics Belgium; Eurostat (2017), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_di12, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 17/07/2017) & berekeningen FPB.

Gini-index van equivalent beschikbaar inkomen

schaal 0-100

 2004200520102011201220132014201520162016//20042016//2011
België26.128.026.626.326.525.925.926.226.30.10.0
EU-28----30.530.830.530.530.931.0------
//: gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2017), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_di12, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 17/07/2017).

Deze tekst komt uit het Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling 2017.

Definitie: de opvolgingsindicator is de Gini-index. Die geeft de mate van inkomensongelijkheid weer en kan een waarde aannemen van 0 tot 100. De Gini-index is gelijk aan 0 als iedereen hetzelfde inkomen heeft, dus bij een volkomen gelijke verdeling. Een waarde van 100 komt overeen met een volkomen ongelijke verdeling, waarbij één persoon al het inkomen en de rest geen inkomen heeft. Die indicator wordt berekend aan de hand van huishoud- en inkomensgegevens uit de SILC-enquête (Statistics on Income and Living Conditions – Enquête over de inkomsten en de levensomstandigheden). Het inkomen dat hier wordt beschouwd is het inkomen dat beschikbaar is (met inbegrip van taxen en sociale overdrachten) om goederen en diensten aan te kopen. Aan elk lid van een huishouden wordt een equivalent inkomen toegewezen, dat berekend wordt door het huishoudinkomen te delen door een equivalentiefactor die rekening houdt met de gezinssamenstelling. De equivalentiefactor stemt overeen met de som van de wegingen gegeven aan elk lid van het huishouden, die, bij conventie, vastgesteld zijn op 1 voor de eerste volwassene, 0,5 voor elke bijkomende volwassene en 0,3 voor elk bijkomend kind (persoon jonger dan 14 jaar). Statistics Belgium organiseert in België die enquête binnen de geharmoniseerde EU-enquête en stelt de resultaten ervan ter beschikking, onder meer aan Eurostat. De gegevens die hier gebruikt worden, zijn afkomstig van Eurostat (2017f), dat gedetailleerde en vergelijkbare data voor de EU-lidstaten publiceert, en van Statistics Belgium (2016).

Cijferdoel: er is geen cijferdoel voor deze opvolgingsindicator. De Federale beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling vermeldt evenwel de volgende doelstelling: "Aangezien een inclusieve maatschappij het welzijn van elke persoon wil bevorderen, zal het essentieel zijn om armoede en sociale ongelijkheden te bestrijden" (inleiding van de uitdaging "Een maatschappij die de sociale cohesie bevordert"). De duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG’s) bevatten, naast SDG 10.1 ook volgende doelstelling en subdoelstelling: "Dring ongelijkheid in en tussen landen terug" (doelstelling 10) en "Beleid voeren dat geleidelijk tot een grotere gelijkheid leidt, in het bijzonder inzake fiscaliteit, lonen en sociale bescherming" (subdoelstelling 10.4). Omdat de inkomensongelijkheid in België in vergelijking met de andere EU-lidstaten laag is en bovendien stabiel gebleven is sinds 2004, gaat het rapport ervan uit dat, om bij te dragen tot de uitdaging van de Federale beleidsvisie en de SDG-subdoelstelling, de Gini-index, als maatstaf voor inkomensongelijkheid, niet mag stijgen.

Subdoelstelling: 10.1 Tegen 2030 geleidelijk tot een inkomenstoename van de onderste 40% van de bevolking komen tegen een ritme dat hoger ligt dan het nationale gemiddelde, en die toename ook in stand houden.

I-SDG: 10.1.1 Groeipercentages van huishoudelijke uitgaven of inkomen per persoon onder de 40 procent van de bevolking en de totale bevolking.