Vertrouwen in instellingen

  •  18/11/2016
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.

Vertrouwen in instellingen

antwoord van minstens 6 op 10 op de vraag

procent van de bevolking van 15 jaar en ouder

 20022004200620082010201220142014//20022014//2008
België28.535.236.731.830.737.336.01.92.1
Duitsland26.028.130.230.729.035.336.42.82.9
Frankrijk21.223.823.326.222.725.923.00.7-2.1
Nederland37.545.653.457.857.555.651.52.7-1.9
//: gemiddelde groeivoeten

Berekeningen FPB op basis van ESS (2017), Dataset European Social Survey, http://www.europeansocialsurvey.org/ (geraadpleegd op 08/11/2017).

Vertrouwen in instellingen volgens geslacht - België

antwoord van minstens 6 op 10 op de vraag

procent van de bevolking van 15 jaar en ouder

 20022004200620082010201220142014//20022014//2008
vrouwen27.732.636.129.828.535.834.51.92.5
mannen29.538.037.234.033.039.037.62.01.7
//: gemiddelde groeivoeten

Berekeningen FPB op basis van ESS (2017), Dataset European Social Survey, http://www.europeansocialsurvey.org/ (geraadpleegd op 08/11/2017).

Vertrouwen in instellingen volgens inkomen - België

antwoord van minstens 6 op 10 op de vraag

procent van de bevolking van 15 jaar en ouder

 2010201220142014//2010
kwintiel 123.529.132.68.5
kwintiel 223.532.033.29.0
kwintiel 331.136.631.80.6
kwintiel 434.642.134.3-0.2
kwintiel 538.145.942.72.9
//: gemiddelde groeivoeten

Berekeningen FPB op basis van ESS (2017), Dataset European Social Survey, http://www.europeansocialsurvey.org/ (geraadpleegd op 08/11/2017).

Deze tekst komt uit het rapport Aanvullende indicatoren naast het bbp van februari 2018.

Definitie: het vertrouwen in instellingen wordt gedefinieerd door het resultaat van de European Social Survey (ESS) en meer bepaald door een score van minstens 6 op 10 op elk van de volgende vier vragen: "Kunt u aangeven hoeveel vertrouwen u persoonlijk heeft in elk van volgende instellingen: het Belgisch parlement, het rechtssysteem, de politici en de politieke partijen". De geïnterviewden kunnen voor elke instelling antwoorden op een schaal van nul ("helemaal geen vertrouwen") tot tien ("volledig vertrouwen"). Die vraag kwam telkens aan bod in de zeven tweejaarlijkse enquêtes van de ESS. Het FPB berekent de indicator met de gegevens van de ESS (2017).

Evolutie: volgens de ESS steeg die indicator tussen 2002 en 2014 van 28,5 % tot 36,0 %; dat is met een gemiddelde jaarlijkse groeivoet van 2,0 %. Het lagere vertrouwen in 2008 en 2010 is te wijten aan een daling in het vertrouwen in het Belgisch parlement, de politici en de politieke partijen, aangezien het vertrouwen in het rechtssysteem in die jaren slechts een lichte daling laat optekenen. De betrouwbaarheidsintervallen berekend voor deze indicator worden hernomen in bijlage 1.

De indicator ligt in België (36,0 %) op een gelijkaardig niveau als in Duitsland (36,4 %). Het ligt echter duidelijk hoger dan in Frankrijk (23,0 %), maar lager dan in Nederland (51,5 %). Die verhoudingen zijn door de zeven edities van de ESS heen ook nauwelijks gewijzigd, zij het dat het vertrouwen in Nederland duidelijk afneemt in de laatste drie edities en dat het vertrouwen in Duitsland sterker toeneemt dan in België, waardoor Duitsland zijn achterstand heeft omgebogen in een kleine voorsprong. De subjectieve aard van deze indicator maakt dat de vergelijking tussen landen met voorzichtigheid geïnterpreteerd moet worden.

Doelstelling: de Federale beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling bevat de volgende doelstelling: "De federale overheid zal alle gebruikers, ongeacht hun sociale en culturele status, een dienstverlening bieden die aan hun verwachtingen beantwoordt rekening houdend met het algemeen belang" (doelstelling 41). Om bij te dragen tot die doelstelling moet het vertrouwen in instellingen stijgen.

Opsplitsing volgens geslacht en inkomenscategorie

Voor alle zeven edities van de ESS was het vertrouwen in de vier instellingen hoger bij mannen dan bij vrouwen. Ook het gegeneraliseerd vertrouwen (zie Indicator 28) lag hoger bij mannen. De verschillen in vertrouwen in de instellingen schommelen van 1,1 % tot 5,4 % en zijn sinds 2008 eerder stabiel.

Er is een verband tussen het inkomen en het vertrouwen in de vier instellingen. De indicator stijgt met een hoger inkomenskwintiel. In 2014 zijn de verschillen in het eerste tot en met het vierde inkomenskwintiel klein en ligt enkel het hoogste inkomenskwintiel (42,7 %) duidelijk hoger dan het gemiddelde (36,0 %). Als er echter naar de gegevens van de laatste drie edities van de ESS wordt gekeken, stijgen de verschillen met de tijd.