Ernstige materiële ontbering

  •  08/02/2018
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.
The chart will appear within this DIV.

Ernstige materiële ontbering

procent van de totale bevolking

 2004200520102011201220132014201520162016//20042016//2011
België4.76.55.95.76.35.15.95.85.51.3-0.7
EU-28----8.48.89.99.68.98.17.5---3.1
//: gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2017), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_mddd11, ilc_mddd12, ilc_mddd13, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 08/11/2017).

Ernstige materiële ontbering volgens geslacht - België

procent van de totale bevolking

 2004200520102011201220132014201520162016//20042016//2011
vrouwen4.96.56.05.46.34.75.66.15.71.31.1
mannen4.66.55.75.96.35.56.25.55.31.2-2.1
//: gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2017), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_mddd11, ilc_mddd12, ilc_mddd13, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 08/11/2017).

Ernstige materiële ontbering volgens leeftijd - België

procent van de totale bevolking

 2004200520102011201220132014201520162016//20042016//2011
<185.78.57.78.28.35.56.87.96.91.6-3.4
18-645.16.56.05.66.65.86.56.16.11.51.7
>641.93.62.82.62.82.02.42.12.10.8-4.2
//: gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2017), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_mddd11, ilc_mddd12, ilc_mddd13, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 08/11/2017).

Ernstige materiële ontbering volgens huishoudentype - België

procent van de totale bevolking

 2004200520102011201220132014201520162016//20042016//2011
alleenstaande10.911.911.010.410.211.610.49.09.2-1.4-2.4
eenoudergezin16.220.318.118.321.116.117.116.914.9-0.7-4.0
twee volwassenen2.83.92.92.32.82.92.72.32.5-0.91.7
twee volwassenen met een afhankelijk kind2.72.54.12.35.52.93.93.53.11.26.2
twee volwassenen met twee afhankelijke kinderen2.33.01.62.83.11.44.03.91.5-3.5-11.7
twee volwassenen met drie of meer afhankelijke kinderen4.58.97.88.66.84.86.06.57.94.8-1.7
//: gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2017), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_mddd11, ilc_mddd12, ilc_mddd13, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 08/11/2017).

Ernstige materiële ontbering volgens activiteitsstatus - België

procent van de totale bevolking van 18 jaar en ouder

 2004200520102011201220132014201520162016//20042016//2011
werkend2.02.82.32.52.62.12.32.12.20.8-2.5
niet werkend6.99.08.37.48.98.09.18.27.91.11.3
werkloos15.318.316.115.615.623.220.722.820.12.35.2
gepensioneerd2.43.83.02.72.62.22.51.92.1-1.1-4.9
andere inactief7.810.211.09.513.210.813.011.612.03.74.8
//: gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2017), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_mddd11, ilc_mddd12, ilc_mddd13, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 08/11/2017).

Ernstige materiële ontbering volgens inkomen - België

procent van de totale bevolking

 2004200520102011201220132014201520162016//20042016//2011
kwintiel 115.321.320.319.021.018.621.821.822.13.13.1
kwintiel 25.36.56.56.47.95.05.65.53.6-3.2-10.9
kwintiel 32.23.11.82.01.51.61.71.21.6-2.6-4.4
kwintiel 40.71.40.40.60.70.40.40.50.1-15.0-30.1
kwintiel 50.20.30.30.50.40.00.10.00.1-5.6-27.5
//: gemiddelde groeivoeten

Statistics Belgium; Eurostat (2017), European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC), ilc_mddd11, ilc_mddd12, ilc_mddd13, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 08/11/2017).

Deze tekst komt uit het rapport Aanvullende indicatoren naast het bbp van februari 2018.

Definitie: een persoon bevindt zich in een situatie van ernstige materiële ontbering indien zijn huishouden geconfronteerd wordt met minstens vier van de volgende negen problemen: onverwachte kosten niet kunnen opvangen, niet om de andere dag een maaltijd met proteïnen kunnen eten, zijn huis niet adequaat kunnen verwarmen (wegens financiële redenen), zich niet één keer per jaar één week vakantie weg van thuis kunnen veroorloven, geen auto hebben (indien de persoon dat wenst), geen televisie hebben (indien de persoon dat wenst), geen telefoon hebben (indien de persoon dat wenst), geen wasmachine hebben (indien de persoon dat wenst) en ten slotte achterstallen hebben voor het aflossen van hypotheeklening, huur of facturen voor de diensten van openbaar nut. De hier gebruikte gegevens over materiële ontbering zijn gebaseerd op de enquête European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC). Personen die deelnemen aan deze enquête kunnen melden of zij op het ogenblik van enquêtering al dan niet geconfronteerd worden met die problemen. Statistics Belgium organiseert in België deze binnen de EU geharmoniseerde enquête en stelt de resultaten ervan ter beschikking, onder meer aan Eurostat. De hier gebruikte gegevens komen van Eurostat (2017) dat gedetailleerde en vergelijkbare data voor de EU-lidstaten publiceert.

Evolutie: volgens de EU-SILC-enquêtes blijft het aandeel personen dat leeft in een huishouden met ernstige materiële ontbering stabiel [Federal Public Service Social Security (2017), Analysis of the evolution of the social situation and social protection in Belgium 2017, Monitoring the social situation in Belgium and the progress towards the social objectives and the priorities of the National Reform Programme, Brussels, Federal Public Service Social Security, July 2017, https://socialsecurity.belgium.be/en/publications/analysis-evolution-social-situation-and-social-protection-belgium (geraadpleegd op 20/11/2017)]. Die indicator steeg van 4,7 % in 2004 tot 6,5 % in 2005, een stijging die waarschijnlijk beïnvloed wordt door een methodologische verandering in de EU-SILC-enquête over het item "zijn huis niet adequaat kunnen verwarmen (wegens financiële redenen)". Eveneens veranderde in 2008 de plaats van dat item in de SILC-vragenlijst, wat een invloed zou kunnen hebben op de vastgestelde tendens in de periode 2005-2016. Om die redenen lijkt het aangewezen de evolutie van die indicator vooral vanaf 2008 te beschouwen en niet over de volledige periode 2004-2016. In 2008 leefde 5,6 % van de bevolking in een situatie van ernstige materiële ontbering. In 2009 daalde die indicator tot 5,2 % en steeg daarna tot 6,3 % in 2012. Vervolgens daalde die indicator tot 5,1 % in 2013 en steeg daarna weer tot 5,9 % in 2014. In 2015 leefde 5,8 % van de bevolking in een situatie van ernstige materiële ontbering. In 2016 was dit 5,5 %.

Het aandeel personen in een situatie van ernstige materiële ontbering in België is lager dan in de EU-28. Tussen 2010 en 2012 steeg die indicator in de EU-28 van 8,4 % tot 9,9 %, waarna die daalde tot 7,5 % in 2016. In een verdeling van de lidstaten in drie groepen behoort België in 2016 tot de middelmatig presterende groep en het scoort beter dan het Europese gemiddelde.

Doelstelling: de Federale beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling bevat de volgende doelstelling: "Iedereen zal beschikken over een inkomen uit arbeid, uit vermogen of afkomstig van sociale beschermingsstelsels en heeft toegang tot diensten van algemeen belang. Iedereen zal aldus gedurende alle fasen van zijn leven kunnen voorzien in alle behoeften om menswaardig te leven" (doelstelling 2).

De duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG’s) bevatten de volgende subdoelstellingen: "Gelijke kansen verzekeren en ongelijkheden wegwerken, ook door het afvoeren van discriminerende wetten, beleidslijnen en praktijken en door het bevorderen van de geschikte wetgeving, beleidslijnen en acties in dit opzicht" (subdoelstelling 10.3) en "Tegen 2030 het aandeel mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden die volgens de nationale definities in armoede leven in al haar dimensies, minstens tot de helft terugbrengen" (subdoelstelling 1.2).

Personen die leven in een huishouden in situatie van ernstige materiële ontbering, maken deel uit van de doelgroep waarvoor de Europa2020-strategie een verminderingsdoelstelling heeft bepaald, de zogenaamde personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting (zie indicator 4). De EU beoogt een vermindering van die doelgroep tussen 2008 en 2018 met 20 miljoen personen. Voor België vertaalt dat cijferdoel zich in een daling van 2,19 miljoen personen in 2008 tot 1,81 miljoen personen in 2018. Dat komt overeen met een vermindering van 380.000 personen.

Om in de richting van deze doelstellingen te gaan, moet het aandeel en het aantal personen dat leeft in een huishouden met ernstige materiële ontbering dalen.

Opsplitsing volgens huishoudentype, meest frequente activiteitsstatus en inkomenscategorie

Van alle personen die behoren tot een eenoudergezin zijn er op basis van de EU-SILC-enquête tussen 2004 en 2016 gemiddeld 18,5 % die leven in een situatie van ernstige materiële ontbering. Voor alleenstaanden bedraagt dat aandeel 10,5 %. De materiële ontbering bij grotere huishoudens is aanzienlijk lager dan bij alleenstaanden, met uitzondering van huishoudens met twee volwassenen en drie afhankelijke kinderen in de jaren 2006 en 2011.

In de periode 2004-2016 is het aandeel personen die leven in een situatie van ernstige materiële ontbering hoger bij werklozen, andere inactieven en niet-werkenden. In 2016 bedroeg dat aandeel resp. 20,1 %, 12 % en 7,9 %. Bij werkenden en gepensioneerden is het aandeel personen die leven in een situatie van ernstige materiële ontbering zeer klein. In 2016 fluctueerde dit aandeel van beide socio-economische categorieën rond 2 %.

Het aandeel personen in een situatie van ernstige materiële ontbering daalt naarmate het inkomenskwintiel toeneemt. In 2016 leefde 22,1 % van de bevolking in het laagste inkomenskwintiel in een situatie van ernstige materiële ontbering. Voor de hogere inkomenskwintielen daalt dat aandeel sterk. In het hoogste inkomenskwintiel leven zeer weinig personen in een situatie van ernstige materiële ontbering (0,1 %). Gegevens voor de jaren 2004-2015 wijzen op een vergelijkbare tendens.