Primair energieverbruik

  •  08/02/2018

In 2015 bedroeg het primair energieverbruik in België 1.913,4 petajoules. Om de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling tegen 2030 te realiseren, moet dat cijfer dalen.

The chart will appear within this DIV.

Primair energieverbruik

PJ

 1990200020052010201120122013201420152015//19902015//2010
België1,903.22,190.42,149.32,241.72,085.31,979.22,040.31,890.41,913.40.0-3.1
EU-2865,748.567,740.771,722.569,394.066,770.966,401.165,766.363,164.064,085.5-0.1-1.6
//: gemiddelde groeivoeten

Berekeningen FPB op basis van Eurostat (2017), Tables environment and energy - Energy. Complete energy balances, annual data [nrg_110a], http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 06/11/2017).

Deze tekst komt uit het rapport Aanvullende indicatoren naast het bbp van februari 2018.

Definitie: het primair energieverbruik is de in België ingevoerde of geproduceerde energie vóór verwerking (in hoofdzaak olieraffinage en elektriciteitsproductie), uitgezonderd de uitvoer, de zeebunkers (de brandstof die geleverd wordt aan schepen voor internationale trajecten) en het niet-energetisch verbruik (bijvoorbeeld olie die gebruikt wordt als grondstof in de chemie). Die indicator wordt uitgedrukt in petajoules (PJ = 1015 joules). Om de evoluties in België en in de EU-28 te kunnen vergelijken werden de gegevens voor de figuur hierboven in een index vertaald (basis 1990 = 100). Het FPB berekent de indicator met de gegevens van Eurostat (2017).

Evolutie: globaal steeg het primair energieverbruik in België tussen 1990 en 1998. Tussen 1998 en 2009 bleef de indicator stabieler vooraleer zijn hoogste punt te bereiken in 2010. Daarna daalde het primair energieverbruik trendmatig en in 2014 lag het onder het niveau van 1990. Niettemin stijgt de indicator opnieuw licht in 2015.

Door de evolutie van het primair energieverbruik in België en in de Europese Unie (EU-28) te vergelijken, wordt duidelijk dat tussen de jaren 1990 en begin jaren 2000 het primair energieverbruik in België sneller stijgt. Omgekeerd is de daling van het primair energieverbruik vanaf 2009 relatief sterker in België. In 2015 ligt het niveau van de indicator zowel voor België als voor de EU-28 op het waargenomen niveau van 1990. In een verdeling van de lidstaten in drie groepen behoort België in 2015 tot de middelmatig presterende groep en het scoort minder goed dan het Europese gemiddelde.

Zowel op Europees [Eurostat (2015), Sustainable development in the European Union, 2015 monitoring report of the EU sustainable development strategy, http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 10/11/2015)] als op Belgisch niveau, kan de globale evolutie van de indicator sinds de jaren 2000 hoofdzakelijk uitgelegd worden door de uitvoering van een energie-efficiëntiebeleid, de economische vertraging ten gevolge van de de financieel-economische crisis, de weersomstandigheden en de evolutie van de economsche structuur (onder andere het gewicht van de industrie in de loop van de tijd).

Doelstelling: de Federale beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling bevat de volgende doelstelling: "De verhoging van de energie-efficiëntie van producten zal worden voortgezet met het oog op de vermindering van het eindenergieverbruik" (doelstelling 18). Het Nationaal Hervormingsprogramma definieert voor België een reductiedoelstelling van het energieverbruik in het kader van de Europese reductiedoelstelling (Europa 2020-strategie) van 20 % van het energieverbruik ten opzichte van een referentiescenario. Die doelstelling is om een primair energieverbruik te bereiken van 43,7 Mtoe (of 1 830 PJ) tegen 2020. Dat is een daling van het primair energieverbruik van 15,1 % tussen 2005 en 2020. Om in de richting van die laatste doelstelling te gaan, moet het primair energieverbruik dalen.